Het is nog iets minder dan twee jaar voordat er daadwerkelijk op de mountainbike om de Olympische medailles en topklasseringen wordt gestreden in Los Angeles. Maar al vanaf april van dit jaar wordt er door de internationale wielerbond UCI een ranglijst bijgehouden die uiteindelijk bepaalt welk land er in de zomer van 2028 met hoeveel startplekken deel zal nemen aan de olympische cross-country. Nederland hoopt zowel bij de mannen als de vrouwen op twee plekken, maar bondscoach Gerben de Knegt vindt het belangrijkst dat zijn potentiële medaillekandidaten Mathieu van der Poel en Puck Pieterse (en eventuele nog andere kandidaten die in de tussentijd opstaan) in staat gesteld worden hun ambities te kunnen verzilveren.
De Knegt benadrukt dat zijn directe invloed op de uiteindelijke stand zich beperkt tot zijn selecties voor het Europees Kampioenschap en het WK, zoals de komende editie in Val di Sole. "We kunnen hoogstens renners aanmoedigen bepaalde wedstrijden (extra) te rijden waar veel punten te verdienen zijn. Of hen ondersteunen op zo’n moment. De rest rijden de renners met hun teams."
"We hebben natuurlijk ook met de eisen van NOC*NSF te maken. De eisen zijn nog niet bekend, maar vorige keer vaardigden we – binnen dat kader van het IOC – alleen sporters af die op een WK of wereldbeker een top 8-klassering hadden behaald."
Ranglijst over twee jaar
Laten we eerst eens uitleggen hoe de olympische ranking werkt. Er zijn zowel bij de mannen als de vrouwen in Los Angeles 36 startplekken te verdelen. Om de meeste van die plaatsen toe te kennen aan de sterkste landen worden gedurende twee jaren (van 27 april 2026 tot en met 28 mei 2028) de UCI-punten van de drie beste renners bij elkaar opgeteld. Dat gebeurt enerzijds bij de mannen en anderzijds bij de vrouwen. Omdat het om de reguliere UCI-punten gaat, tellen daar zowel de resultaten van de elite als de beloften voor mee, simpelweg de drie hoogstgeplaatste mountainbikers van elk land. Op dit moment zijn dat Puck Pieterse, Anne Terpstra en Bloeme Kalis bij de vrouwen en Rens Teunissen van Manen, Freek Bouten en Tom Schellekens bij de mannen. Die ranglijst mag niet verward worden met de reguliere ranking, want hier vervallen gedurende het jaar telkens de resultaten van een jaar geleden. Als in 2028 de balans wordt opgemaakt krijgen de eerste acht landen twee startplekken en de nummers negen tot en met negentien één startplek voor LA 2028.
Verder zijn er nog startplekken beschikbaar voor continenten die normaal niet aan de eisen kunnen voldoen om toch zo een zo mondiaal mogelijke deelname te garanderen. "En er zijn twee startplaatsen voor de beste twee landen op een WK die nog niet geplaatst zijn. Zo behaalde TeamNL met onze belofte Tom Schellekens een vijfde plek op het WK in Glasgow van 2023, waardoor een eventuele deelname van Mathieu van der Poel mogelijk werd bij de mannen in Parijs 2024." Die plek is uiteindelijk niet ingevuld. De Knegt: "Voor ons is het natuurlijk een doel om twee startplekken te krijgen maar belangrijker is eigenlijk nog dat je in ieder geval kunt starten met de renners die ook daadwerkelijk kans maken op een olympische medaille. Zoals dat nu geldt voor Puck Pieterse bij de vrouwen en in potentie voor Mathieu van der Poel bij de mannen. Als je een sterke troef hebt, dan wil je die natuurlijk primair aan de start hebben."
Nationale eisen
De Knegt wijst erop dat het veroveren van een aantal startplekken nog niet betekent dat de beste mountainbiker of de beste twee MTB'ers bij de vrouwen en/of mannen hun koffers kunnen pakken voor LA 2028. "We hebben natuurlijk ook met de eisen van NOC*NSF te maken. De eisen zijn nog niet bekend, maar vorige keer vaardigden we – binnen dat kader van het IOC – alleen sporters af die op een WK of wereldbeker een top 8-klassering hadden behaald. Dus in theorie kan het ook dat we wel twee startplekken hebben, maar dat we maar één renner hebben die aan de eis heeft voldaan. In dat geval zouden we dus een plek opgeven. Iets waar ik persoonlijk geen voorstander van ben. Maar dan lopen we best ver op de zaken vooruit. Het is nu zaak om de best presterende sporters in de gelegenheid te stellen zoveel mogelijk punten te halen – zover we daar invloed op hebben – en hopelijk kunnen zoveel mogelijk Nederlanders ook aan die extra nationale eis voldoen. De afgelopen jaren voldeden bij ons alleen Puck Pieterse, Anne Terpstra en Mathieu van der Poel daaraan. Als Anne Terpstra straks stopt, blijven er twee renners over die op dit moment aan zo’n eis kunnen voldoen. En natuurlijk zijn we ook afhankelijk van de progressie die onze jonge talenten blijven boeken."